Geschiedenis Haaruitval

Het eerste bewijs van kaalhoofdigheid in de geschiedenis is meer dan 4000 jaar oud. Het wordt genoemd in het oudste medische document ter wereld, dat in Egypte is gevonden. Het “papyrus Ebers”. De ingrediënten van haargroeimiddelen in die waren bijv.: het insmeren van het hoofd met een mengsel van dierlijke vetten van leeuwen, nijlpaarden, krokodillen, katten, slangen en ibissen (vogels).

Uit ongeveer dezelfde tijd stamt het recept van een mengsel van gemalen en in olie gekookte hondenpoten, dadels en ezelshoeven. De vraag is natuurlijk of dit enig effect had. En die vraag is er 4000 jaar later nog.

Wat er veel naar voren komt in de geschiedenis is het dragen van pruiken. In het British Museum te Londen is onder andere een pruik te zien die 3400 jaar geleden in Egypte is gemaakt. Het dragen van een pruik kwam zelfs in die tijd veel voor. Niet alleen om de kaalhoofdigheid te verbergen, maar men schoor het hoofd kaal i.v.m. de hygiëne. Een pruik had in die tijd een decoratieve, maar ook een op rang en status gerichte functie.

De oude volkeren rond de Middellandse Zee hadden het idee dat in het haar de levenskracht van een persoon zat. Daarentegen vonden de Grieken dat wanneer iemand kaal was hij oud was en daarmee de ervaring en wijsheid had.

Omdat de wijsheid in hoog aanzien stond straalde dit ook van hun kale hoofd af. Een schande was het zeker niet.

In het Verre Oosten had het kaalscheren van het hoofd een religieuze betekenis. Rond 540 voor Christus was het ene Prins Gautama die zijn rijkdommen opgaf, zijn hoofd kaalschoor en een saffraangeel kleed aantrok: de dracht van de hindoeïstische bedelmonnik. Niet veel later zou hij bekend worden onder de naam Boeddha.

Kaalheid kan ook als mode verschijnsel of als herkenning worden gebruikt. Denk maar aan bijv. skinheads.

In de loop van de 16e eeuw brak er een gouden tijd aan voor pruiken. Een belangrijk onderdeel hiervan was de ontdekking van syfilis. Een belangrijk symptoom van syfilis was de uitval van haar. Zowel op het hoofd, als de wenkbrauwen, wimpers e.d. Wanneer men dus een bos haar had was men gezond. Dat was een van de redenen waardoor syfilis zich snel uit kon breiden.

Een klassieke theorie was dat de balans van de lichaamsvloeistoffen (humares) door ziekte verstoord was geraakt. Daardoor droogde het hoofd uit en kregen de haren geen voedingsstoffen meer. De meeste medicijnen waren gericht op prikkeling van de vloeistoffen. Uiteindelijk leen een behandeling met ‘zeer giftige’ kwikdampen of de stof thalliumsulfaat het meest effectief. Hoewel een kwik- of thalliumvergiftiging weer gemakkelijk tot haaruitval kon leiden.

Pas in de late 18e eeuw, begin 19e eeuw raakt het medisch beroep geïnteresseerd in kaalhoofdigheid. Uit 1839 stammen een aantal recepten van baron Dupuytren. Als ingredienten noemt de baron rundermerg, loodacetaat, Spaanse vlieg,alcohol, kruidnagel- en kaneelolie.

Van zo’n smeersel moest ’s avonds de hoeveelheid “van eene hazelnoot” op het hoofd worden aangebracht. Het feit dat een medicus met zijn reputatie zich aan een haargroeimiddel waagde is een indicatie voor de groter wordende aandacht van de medische wereld voor het probleem van kaalhoofdigheid.

Daar werd dan ook weer gretig gebruik van gemaakt door rondtrekkende verkopers, die handelden in diverse wondermiddelen. In Nederland was bijv. de Haarlemmerolie lange tijd een goed verkopend wondermiddel. In Amerika werd dit in 1906 aan banden gelegd met het verschijnen van de “Wiley Act”.

Een nieuw product in de wereld van het kunstmatige haar was de toupet of haarstukje. In 1941 werd de waarde van de jaarlijkse haarimport in de VS door het blad Colliers geraamd op 5 miljoen dollar.

In de jaren 50 gingen toch ook steeds meer mannen haarstukjes dragen. In 1958 rapporteerde een NewYorkse pruikenmaker dat sinds 1954 de verkoop van haarstukjes voor mannen met maar liefst 750% was gestegen. Ongeveer 35% van de producten werd verkocht aan mannen jonger dan 35 jaar.

Bij het zoeken naar de oorzaken van kaalhoofdigheid werd in medische kringen eindelijk vooruitgang geboekt. Merkwaardig genoeg was de oplossing reeds in de klassieke Oudheid door de Griekse arts Hippocrates en de wijsgeer Aristoteles aangereikt.

Hippocrates constateerde dat zich bij gecastreerde dienaren, de eunuchen, nooit kaalhoofdigheid voordeed. Aristoteles probeerde dit te verklaren door er op ter wijzen dat eunuchen evenals vrouwen een vochtiger lichaam hadden dan mannen en dus een betere voedingsbodem voor haargroei.

Pas in 1942 gaf de Amerikaanse arts J.B. Hamilton en nieuwe draai aan Aristoteles? waarnemingen. Hij kon zich gesteund voelen door de erfelijkheidstheorie en de ontdekking van de werking van menselijke hormoonstoffen. Hamilton legde een direct verband tussen castratie, het aanmaken van mannelijk hormoon en mannelijke kaalhoofdigheid.

Wanneer een man met erfelijke aanleg voor kaalhoofdigheid tijdig wordt gecastreerd, zal hij niet kaal worden. De kaal geworden plekken raken echter niet opnieuw begroeid. Verder onderzoek wijst uit dat er verschillend soorten haar zijn, met een verschillende aanleg om op den duur uit te vallen, al dan niet onder invloed van hormonen.

Leave a Comment: